Zorgt AI voor een kloof tussen minder geoefende lezers en een geletterde elite?

bron: https://archive.is/YyVbk

Jeroen Derauniversitair hoofddocent Nederlandse literatuur, Radboud Universiteit

Jeroen Dera onderzocht het leesgedrag van jongeren. Opmerkelijke resultaten bepalen waarom jongeren weinig lezen. Verplichte leeslijst, die nauwelijks nog wordt gebruik op scholen. Op de basisschool is al bijna genderbepaald dat jongens infoboekjes moeten lezen en meisjes verhalen met personages waarmee ze zich kunnen identificeren.
Dit bevordert uiteindelijk een grotere kloof tussen minder geoefende lezers en een geletterde elite.

Bron Illustratie Anne Stalinski

Hele tekst:

Jeroen Dera onderzoekt al tien jaar waarom jongeren minder lezen: ‘We moeten ervoor waken dat er een geletterde elite ontstaat’

Jongeren lezen al jaren minder én minder goed. Jeroen Dera onderzocht waarom. ‘Op TikTok gaat het vaak over een verplichte leeslijst, maar die heeft bijna geen enkele school meer.’

Bron Illustratie Anne Stalinski

Het kwartje viel bij hemzelf pas rond de vierde, vijfde klas van het vwo, vertelt onderzoeker en universitair hoofddocent Nederlandse literatuur Jeroen Dera (40), aan de keukentafel in zijn huis in Elst. Thuis waren er weinig literaire boeken. Wel streekromans, een medische encyclopedie en informatieboekjes over vulkanen en dinosaurussen, die hij verslond. Toen het gezin verhuisde naar een ‘sociaal-economisch betere buurt’, kreeg hij vriendjes die jeugdliteratuur lazen. Voor hun plezier.

Quote van Jeroen Dera – universitair hoofddocent Nederlandse literatuur, Radboud Universiteit.

‘Juist AI vraagt om leesvaardigheid van een hogere orde’

Jeroen Derauniversitair hoofddocent Nederlandse literatuur, Radboud Universiteit

Het liep anders. Inmiddels heeft Dera zo’n tien jaar onderzoek gedaan naar het leesgedrag en de leescultuur van jongeren. De resultaten staan in zijn nieuwe boek, De spagaat. “Ik leek zelf vroeger best veel op sommige jongeren die ik daarin beschrijf. Toen ik begon met literatuur lezen, waren er nauwelijks volwassenen die me boeken konden aanraden. De eerste literaire titels die ik las vond ik best saai.”

Dat hij Nederlands wilde studeren, besefte hij pas na zijn eindexamen. Daarvoor was hij al wel begonnen met het lezen van de klassieke canon van de Nederlandse literatuur. “De Grote Drie: Mulisch, Reve, Hermans. Ik las ze voor school omdat ik een beetje een streber was. Maar ik bleek ze ook mooi te vinden.”

Zacht uitgedrukt wordt niet iedere jongere vandaag de dag gegrepen door Mulisch en Reve. In Nederland wordt steeds minder gelezen door jongeren, blijkt uit bijvoorbeeld het internationaal vergelijkende Pisa-onderzoek onder vijftienjarigen. In 2018 zei 53 procent van de ondervraagde jongeren nooit een boek in de vrije tijd te lezen; 42 procent vond lezen ‘tijdverspilling’.

Maar jongeren lezen niet alleen minder, ze lezen ook slechter. Uit het Pisa-onderzoek van 2022 blijkt dat inmiddels een derde van de Nederlandse vijftienjarigen nog niet het minimale leesniveau haalt dat nodig is om te functioneren in de samenleving. Brieven van de overheid begrijpen, belastingaangifte doen, je inschrijven bij de Kamer van Koophandel: het wordt dan allemaal vrijwel onmogelijk zonder hulp.

Bron Illustratie Anne Stalinski

Wat vooral steeds lastiger blijkt voor Nederlandse vijftienjarigen, is het kritisch evalueren van teksten en het onderscheiden van hoofd- en bijzaken. Dat is extra zorgelijk in een tijd waarin mensen in het dagelijks leven steeds meer door AI geschreven teksten moeten lezen en beoordelen. Omdat zoekmachines zoals Google nu eerst AI-samenvattingen van zoekresultaten geven, bijvoorbeeld. Of omdat bedrijven werknemers vervangen door chatbots. In september komt er een nieuw Pisa-onderzoek; een opmerkenswaardige verbetering verwacht Dera niet.

Je hoort steeds vaker de term post-literate samenleving, een maatschappij waarin het geschreven woord niet meer zo belangrijk is. Hoe kijkt u daarnaar?

“Op de scholen waar ik kom, is er bijna altijd wel een docent die zegt: maar we leven toch in een tijd waarin technologie het lezen en schrijven van ons over gaat nemen? Moeten we dat probleem met lezen dan niet groter maken dan het is?

“Ik denk dat het, nu er steeds meer AI-taalmodellen zijn die allerlei processen overnemen, des te belangrijker is dat mensen goed en kritisch kunnen kijken naar tekst. Juist AI vraagt om leesvaardigheid van een hogere orde.

“Verschillen in geletterdheid zijn er natuurlijk altijd al geweest. Maar een potentieel gevaar is dat er een samenleving ontstaat waarin mensen die AI-output wél kritisch kunnen evalueren, op een gegeven moment een streepje voor hebben op mensen die het niet kunnen. Dan ontstaat er een soort geletterde eliteklasse. Dat is heel gevaarlijk.

“Als je nu naar het onderwijs kijkt, vind je de grootste leesproblemen bij het vmbo. Ik hoor nu al eens mensen zeggen: waarom zouden we vmbo’ers lastigvallen met moeilijke en lange teksten; ze worden toch kapper en dan kunnen ze toch net zo goed hun aangiftes door AI halen? Je holt een samenleving uit op die manier.”Quote van Jeroen Dera – universitair hoofddocent Nederlandse literatuur, Radboud Universiteit.

‘Dat leerlingen steeds maar dezelfde boeken uitkiezen die ze eigenlijk saai vinden, ligt ook deels aan hun eigen ideeën over wat er van ze verwacht wordt’

Scholieren hebben vaak het idee dat anderen lezen niet cool vinden, beschrijft u in uw boek. Maar ze schatten de meningen van hun klasgenoten over lezen veel negatiever in dan het geval is, zo blijkt.

“Wat ik zelf in ieder geval belangrijk vind, is dat we dit soort cijfers ook gewoon bespreken met tieners. Bij wijze van experiment heb ik een keer met een student onderzoek gedaan in een brugklas. Daarbij lieten we ze opschrijven hoeveel boeken ze in de zomervakantie gelezen hadden. Daarna vroegen we: hoeveel van jullie klasgenoten hebben minimaal twee boeken ingevuld, denken jullie? Nou, bijna niemand, dachten ze. En toen konden we laten zien dat het in werkelijkheid bijna de helft was.

“Dat is natuurlijk net zo’n grote groep als degenen die het níét hebben gedaan. Maar de kinderen die wél lezen, spreken zich minder snel uit. Leerlingen die leeslessen verstoren door luidkeels te roepen dat ze er niks aan vinden staan vaak hoog in de sociale pikorde, anders kunnen ze zich dat niet veroorloven. Naar hen gaat veel aandacht uit, ook van docenten. Dat draagt bij aan een norm waarbij je lezen stom vindt.

“Veel kinderen zien lezen ook als een solitaire bezigheid; iets wat je in je eentje op je kamer doet en dus geen sociale activiteit is. We hebben onderzoek gedaan waarbij we lezende personages uit populaire series aan jongeren lieten zien. Het personage Isaac uit Heartstopper, die op een feestje zit te lezen, bestempelen ze als raar, maar wel oké, want hij leest wel, maar hij praat daarnaast ook gewoon met anderen.”

Bron Illustratie Anne Stalinski

Media, ook Trouw, berichten vaak heel positief over BookTok: video’s over boeken op TikTok. Bookfluencers krijgen jongeren tenminste aan het lezen, is het idee. U bent kritischer.

“TikTok werkt natuurlijk met een algoritme. Daardoor circuleren sommige titels sneller en makkelijker dan andere. Dat leidt ertoe dat sommige gebruikers gaan binge-readen: keer op keer hetzelfde type boek met een gelijksoortig wereldbeeld, bijvoorbeeld binnen het romance-genre.

Als je kijkt naar de Nederlandse productie op TikTok, wordt daar ook tamelijk negatief en foutief gepraat over lezen op school. Het gaat dan over ‘wat je wel en niet mag lezen voor je verplichte leeslijst’, bijvoorbeeld.

“Natuurlijk moet je op een bepaald niveau lezen voor je lijst, en natuurlijk zijn er nog altijd docenten die een genre als fantasy niet als literair zien. Maar uit onderzoek blijkt dat leerlingen echt veel vrijheid hebben in het kiezen van boeken voor school, en dat een ‘verplichte leeslijst’ bijna nergens voorkomt. Dat ze steeds maar dezelfde boeken uitkiezen die ze eigenlijk saai vinden, ligt ook deels aan hun eigen ideeën over wat er van ze verwacht wordt.”Quote van Jeroen Dera – universitair hoofddocent Nederlandse literatuur, Radboud Universiteit.

‘Uit studies blijkt dat minimaal twintig minuten lezen, meerdere keren per week, echt al heel veel effect heeft’

“Dat een boek uiteindelijk niet op je eindexamenlijst terechtkomt, wil ook niet zeggen dat er in de klas niks mee gedaan kan worden. Neem de populaire boeken van Colleen Hoover, bekend van It ends with us. Daarover bestaat onder lezers veel discussie: kan dit boek een feministische kritiek wel doorstaan? Daar kun je het in de les Engels prima over hebben.

“Daarnaast is een verpletterende meerderheid van de BookTokkers vrouw. Cisgender hetero mannelijke bookfluencers zijn er haast niet, zeker niet in ons taalgebied. Je ziet wel de opkomst van een ander soort mannelijke lezer online, maar die lezen dan vooral zelfhulpboeken over crypto en snel geld verdienen. Het lezen van fictie is in de beeldvorming echt het domein van vrouwen en meisjes.”

Die scheiding tussen meisjes die wel lezen en jongens die niet lezen duikt vaker op in uw boek. Wat is daar de oorzaak van?

“Ik denk dat dat al op de basisschool begint. Daar zijn kinderen zelf al op de hoogte van het stereotype dat jongens vooral informatieboekjes zouden lezen en meisjes verhalen waarin ze zich kunnen identificeren met personages.

Als ze dan naar de brugklas gaan en de puberteit echt om de hoek komt kijken, gaan er vragen spelen als: wanneer hoor je bij de groep en wanneer niet? Wanneer voldoe je aan een bepaald beeld van mannelijkheid en wanneer niet? Bij jongens zie je dat weinig doen voor school en niet lezen daarbij hoort. Dat een beetje cultiveren, kan bij jongens een rol spelen.”

U schrijft ook: minder lezen is een symptoom van de snelkookpan waarin kinderen van nu opgroeien. Wat bedoelt u daarmee?

Het is een cocktail die ertoe leidt dat ook jongeren die zich voornemen om wel te lezen, er niet aan toekomen. In een van mijn studies gaf bijna tweederde van de bovenbouwers havo en vwo aan meer te willen lezen. Maar ze hebben bijbaantjes, ze moeten sporten. En er is een zogeheten summatieve toetscultuur in Nederland, waarbij je heel veel verschillende toetsen moet halen. Dat legt een groot beslag op de tijd van tieners.

“En dan is er natuurlijk schermtijd. Jongeren zitten gemiddeld per dag 6,5 uur op hun telefoon, bij een kwart is dat acht uur. Daar zitten heel wat uren bij die letterlijk vervliegen. Overigens hebben volwassenen hier natuurlijk ook last van.”

Uw boek gaat nadrukkelijk niet over oplossingen. Maar over één ding bent u wel enthousiast: regelmatig verplicht een half uurtje lezen op middelbare scholen.

Het zou heel goed zijn als er een halfuur per dag gewoon door iedereen gelezen wordt, ook door het personeel. En dat hoeft helemaal geen hoge literatuur te zijn: ook dat boek over crypto mag.

“Uit studies blijkt dat minimaal twintig minuten lezen, meerdere keren per week, echt al heel veel effect heeft. Jongeren zijn gemiddeld gemotiveerder om te gaan lezen, hun woordenschat verbetert en docenten zien hun concentratievermogen vooruitgaan. Dus uiteindelijk profiteert het hele onderwijs: ook economie, geschiedenis en biologie hebben baat bij zo’n lees-halfuurtje.

“Bovendien houd je in het literatuuronderwijs tijd over om andere dingen te doen. Die les over Colleen Hoover bijvoorbeeld. En net zo goed die epische tekst uit de middeleeuwen. Natuurlijk vindt niet iedereen dat leuk. Maar ach, ook niet iedereen vindt het leuk om te titreren bij scheikunde.”

Expert

Jeroen Dera (1986) is universitair hoofddocent Nederlandse literatuur aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij is een van de meest gevraagde experts op het gebied van leesbeleid en leescultuur onder jongeren. Naast zijn nieuwe boek De spagaat schreef hij meerdere boeken over moderne poëzie in het onderwijs.

Als AI onze banen super efficient zou maken, wat gaat de mens dan doen?

Wat als Jan Rotmans over dit onderwerp iets zou zeggen? Dat is wat ik vroeg aan mijn AI. Nou daar wist hij wel raad mee, want Jan Rotmans schrijft al veertig jaar over verandering van tijdperk. Deze hoogleraar aan de Erasmus universiteit laat jaarlijks in een boek zijn Rotterdamse inborst zien. Van een beetje veranderen is nog nooit iemand beter geworden, maar omarm juist de verandering om iets beters op te bouwen. Digitalisering en AI worden zo vaak geframed als een bedreiging voor banen of als kille technologie, maar in zijn visie zijn ze juist de sleutel tot onze heroverde menselijkheid.

De Grote Kanteling: Waarom AI ons de menselijke maat teruggeeft

We leven niet in een tijdperk van verandering, we leven in een verandering van tijdperk. Kijk naar je eigen school: we zitten vast in een overspannen, dysfunctioneel onderwijssysteem dat met lapmiddelen overeind wordt gehouden, puur omdat het is ontworpen voor de logge structuren van de industriële revolutie. We leiden jonge mensen nog altijd op voor een achterhaalde 40-urige werkweek waarin we ‘uren draaien’ verwarren met waarde toevoegen. Maar die oude wereld is aan het sterven, en de nieuwe wereld kondigt zich in een razend tempo aan. De synergie tussen verregaande robotisering en Artificial Intelligence (AI) is geen tijdelijke trend, maar een fundamentele systeemdoorbraak. Beroepen die nu nog onze agenda’s gijzelen, worden straks geautomatiseerd. Onze leerlingen gaan een gedigitaliseerde samenleving tegemoet waarin technologie geen banen vernietigt, maar ons massaal de belangrijkste grondstof van de 21ste eeuw schenkt: Tijd.

Deze gigantische maatschappelijke transitie vraagt niet om een beetje polderen of marginale aanpassingen in de marge; het vraagt om een radicale transformatie van onze rol als docent. Als computers straks de kille data-analyses, de administratie en de planningen overnemen, ontstaat er een existentiële leegte als we niet ingrijpen. Het is onze historische plicht om te voorkomen dat een hele generatie straks passief wegzakt in een digitale schijndood achter schermen. Wij moeten hen nú leren wat zingeving is, en hoe ze die herwonnen tijd kunnen omzetten in maatschappelijke actie. De docent van de toekomst is geen ‘zender’ of ’toetser’ meer, maar een transitiemaker: een gids die jongeren helpt te ontdekken wie ze zijn en hoe ze sturing kunnen geven aan een wereld in chaos.

De werkelijke innovatie in het onderwijs zit de komende jaren dan ook niet in de hardware, maar in de software van onze ziel: sociaal gedrag en maatschappelijke betrokkenheid. We zien de contouren van de nieuwe economie al ontstaan bij koplopers zoals softwarebedrijf AFAS, waar digitalisering direct wordt vertaald in een vierdaagse werkweek zodat medewerkers de maatschappij kunnen versterken bij de voedselbank. Dit is geen incident, dit is de blauwdruk van de netwerksamenleving. We moeten leerlingen opleiden om mét de naaste te leven, in plaats van langs elkaar heen te concurreren. In een gedigitaliseerde wereld worden empathie, solidariteit en gemeenschapszin de harde, cruciale valuta waar de maatschappij om vraagt.

Ik begrijp de diepe vermoeidheid en de scepsis op de werkvloer volkomen. Docenten zijn murw gebeukt door de waan van de dag en de bureaucratische druk van bovenaf. Maar begrijp me goed: deze transitie is niet de volgende belasting op je bord, het is de oplossing voor je burn-out. Diezelfde AI-tools die de wereld transformeren, kunnen de bureaucratische systemen die jou nu verstikken, slopen. Laat algoritmes het nakijkwerk en de administratieve rompslomp overnemen, zodat jij als professional de autonomie terugkrijgt waar je ooit voor hebt gekozen: tijd voor dat échte, diepe, menselijke gesprek met de leerling. Technologie is niet de vijand van de menselijke maat, het is de unieke hefboom om die maat eindelijk weer terug te eisen van de technocraten.

We staan voor een historisch kruispunt. Blijven we dweilen met de kraan open en leiden we kinderen op tot tweederangs robots in een dolgedraaid systeem, of durven we de sprong te wagen? We moeten het onderwijssysteem niet hervormen, we moeten het heruitvinden. Laten we digitalisering omarmen als de grote bevrijder die ons dwingt om weer mens te zijn. Maak van jouw klaslokaal de frontlinie van deze maatschappelijke kanteling. Geef ze de zingeving en de sociale bagage mee om de transitie te leiden, zodat succes niet langer wordt afgemeten aan hoe hard je meedraait in de oude economie, maar aan hoeveel betekenis je geeft aan de nieuwe samenleving. Wij zijn niet de slachtoffers van deze verandering, wij zijn de architecten ervan. Toon moed!

Wat is de impact van autonome AI-agents?

Met de komst van AI-agents zoals OpenClaw is het gebruik van een computersysteem fundamenteel gekanteld: we gaan van “praten tegen AI” naar het bezitten van een AI die voor ons handelt. Alles wat jij kunt met een toetsenbord en een muis, kan een agent nu ook, of het nu gaat om het versturen van e-mails, het beheren van je bankrekening of zelfs het doen van complexe aankopen.

Wat dit zo’n aardverschuiving maakt, is het concept van de “loop”: een agent stopt niet bij een simpel antwoord, maar blijft kijken, vragen en handelen totdat een taak is volbracht. In plaats van dat jij urenlang websites afstruint voor de beste prijs of klachtenbrieven naar de gemeente typt over gaten in de weg, delegeer je simpelweg het doel. De agent, ondersteunt door een LLM, voert autonoom de tientallen tussenstappen uit die nodig zijn om de finishlijn te halen. Je computer verandert hiermee van een passief scherm in een actieve deelnemer die jouw fysieke beperkingen in tijd en administratieve last wegneemt.

Toch is deze nieuwe vrijheid niet zonder scherpe randjes. We ruilen onze directe controle in voor een systeem dat soms als een ongeleid projectiel kan werken; een agent kan zelfs je privacy te grabbel gooien als een vreemde erom vraagt.

De “lethale trifecta” van internettoegang, toegang tot privégegevens en onvertrouwde instructies betekent dat we onze digitale partnerschap met een gezonde dosis argwaan moeten opbouwen.

De drie componenten zijn:

  • 1. Toegang tot vertrouwelijke gegevens (Access to Secrets): De AI heeft toegang tot gevoelige informatie zoals API-sleutels, wachtwoorden, klantgegevens of privédocumenten.

2. Blootstelling aan onbetrouwbare externe inhoud (Untrusted Content): De AI kan gegevens lezen van niet-vertrouwde bronnen, zoals publieke websites, e-mails of gebruikersinput.

3. Mogelijkheid tot externe communicatie (Exfiltration Vectors): De AI kan acties ondernemen buiten de eigen omgeving, zoals e-mails versturen, Slack-berichten plaatsen of HTTP-verzoeken doen

Toekomstige arbeid

Filosofen kijken met een mengeling van fascinatie en vrees naar deze ontwikkeling, waarbij de kernvraag verschuift van intelligentie naar agency (handelingsbekwaamheid). Volgens denkers als Nicholas Lundblad hebben we de evolutie “achterstevoren” aangepakt: in de natuur ontstaat eerst de drang om te handelen en volgt intelligentie later, terwijl we bij AI eerst de intelligentie hebben gebouwd en nu proberen uit te vogelen hoe we het ‘handelingsbekwaamheid’ geven. In de toekomstige arbeid betekent dit dat we AI niet langer als intelligent product zien, maar als een afgevaardigde (delegate) waaraan we onze eigen menselijke vermogens uitbesteden om onze invloed op de wereld te vergroten.

Dit roept een prikkelende filosofische paradox op: wat gebeurt er met de maatschappij als “handelingsbekwaamheid” niet langer schaars is? Onze huidige wereld is gebouwd op de beperking van menselijke tijd en aandacht; we staan in de rij voor concerttickets omdat we niet op tien plekken tegelijk kunnen zijn. Als iedereen echter 10, 100 of 1000 keer meer kan “willen” door legioenen agents in te zetten, breekt het systeem van schaarste. Op de werkvloer kan dit leiden tot een overvloed aan actie, waarbij de grens tussen menselijke intentie en machinale uitvoering vervaagt, en waarbij overheden met “oneindige agency” elke wet tot op de kilometer nauwkeurig kunnen handhaven—een scenario dat volgens filosofen vervaarlijk dicht tegen een dictatuur aanschuurt.

Uiteindelijk dwingt de opkomst van agents ons om de hiërarchie tussen mens en machine opnieuw te definiëren via juridische metaforen: is een AI-agent een kind, een werknemer of een huisdier? Terwijl we door een periode van chaos gaan waarin organisaties overspoeld worden door digitale gedelegeerden, is de hoop gevestigd op een nieuw ecologisch evenwicht waarin agents andere agents reguleren.

De menselijke rol in toekomstige arbeid wordt wellicht niet het uitvoeren van taken, maar het managen van een digitale ecologie, waarbij we moeten accepteren dat onze “robotbreinen” soms menselijke lichamen in de echte wereld zullen inhuren om de klus te klaren.

Lessen DG – ‘Online Masters’

Home | Online Masters

Online experts

Online Masters geeft toegang tot kennis van online experts, onze masters. Zij hebben actief bijgedragen aan de lesontwikkeling. Hun kennis en kunde laat leerlingen bewuster, vaardiger en veiliger online gaan.

Direct aan de slag

Je kunt onze online lessen direct gebruiken. Elke les is voorzien van een handleiding. Er is geen specifieke kennis nodig om de lessen te geven.

Lees verder “Lessen DG – ‘Online Masters’”

Waarom staan we ’s ochtends eigenlijk op?

Over de onderwijsfuik en de moed om het anders te doen.

Elke ochtend als de wekker gaat, is er voor een leerkracht of docent maar één echt antwoord op de vraag waarom we opstaan: we willen leerlingen elke dag een stapje verder helpen in hun ontwikkeling. We staan er voor het kind, voor hun groei en voor hun toekomst.

Maar de realiteit van de ‘onderwijsfuik’ maakt dat soms knap lastig, vertelt Claire Boonstra tijdens de opening van de IPON 2026. Claire Boonstra is oprichter van Operation Education en haar doel is transformeren waar het allemaal ontstaat: het onderwijs. Ik volg haar al sinds 2012, de oprichtingsbijeenkomst in Beeld en Geluid. En ik was daarbij in een zaal met dwarsdenkers, friskijkers en kantelaars. Onderwijsmensen die tegen de manco’s van het onderwijssysteem aan lopen. Misschien lijkt Operation Education een Don Quichot-beweging, maar eigenlijk werkt van binnenuit. Veranderen kan wel!

Huidige systeem als sorteermachine

Claire Boonstra vervolgt haar verhaal op de IPON. In ons huidige systeem zijn we vastgelopen in een hardnekkig frame: ‘hoger’ is beter. We hebben een ‘sorteermachine’ gecreëerd die kinderen al op 11- of 12-jarige leeftijd indeelt in hokjes. Maar onze samenleving heeft niet alleen theoretische denkers nodig. We schreeuwen om praktische mensen met sterke softskills, oplossingsgericht vermogen en creativiteit. Vaardigheden die naadloos aansluiten bij de kerndoelen voor Digitale Geletterdheid, maar die in de huidige toetscultuur vaak buiten de boot vallen.

De beperking van de meetbaarheid

De huidige doorstroomtoets focust vrijwel uitsluitend op rekenen, taal en spelling. Daarmee laten we wereldoriëntatie, creëren en spelen en waardevolle talentontwikkeling liggen. Als we kijken naar de theorie van Gert Biesta, zien we dat onderwijs over veel meer gaat dan alleen ‘Kwalificatie’. Waar is de ruimte voor Socialisatie en Subjectificatie? Voor het vormen van een eigen persoonlijkheid en het leren over de wereld?

Ruimte voor verwondering

Het meest pijnlijke gevolg van dit keurslijf? De natuurlijke nieuwsgierigheid van leerlingen wordt vaak simpelweg afgeleerd. Kennis is de onmisbare kapstok, maar de manier waarop we die aanbieden moet veranderen. Creativiteit ontwikkelt zich namelijk niet door vinkjes te zetten op een dashboard, maar door:

 * Verwondering

 * Uitproberen en ‘prutsen’

 * Echt durven ‘aanklooien’

 * En ja, zelfs momenten van verveling.

Juist in die ongestructureerde ruimte ontstaat de innovatie die we nodig hebben in een onvoorspelbare toekomst.

Wij zijn het systeem

Claire Boonstra zegt het treffend: “Wij zijn het systeem”. De verandering begint bij ons, op de werkvloer. Het vraagt moed om vast te houden aan je morele kompas en de ‘waarom-vraag’ centraal te blijven stellen. Want uiteindelijk is dát waarom we elke ochtend opstaan: niet voor de inspectie of het dashboard, maar voor die ene leerling die vandaag weer een stapje mag groeien.

Hoe behoud jij de ruimte voor verwondering in jouw klas of organisatie?